15. (Terugneming van) bijzondere waardeverminderingen van vaste activa/ verlieslatende contracten

Aanleiding van toets op bijzondere waardeverminderingen

Ultimo 2025 zijn indicatoren vastgesteld voor bijzondere waardeverminderingen die specifiek betrekking hebben op de HRN-concessie in Nederland. In 2025 zijn aangepaste uitgangspunten ten aanzien van de reizigersprognoses en opbrengsten voor de komende jaren. Deze ontwikkelingen vormen aanleiding om de bijzondere waardevermindering per ultimo 2025 opnieuw te beoordelen. In dat kader is een waardeverminderingstoets uitgevoerd, gebaseerd op het meest waarschijnlijke scenario.
Voor overige activiteiten (stationsontwikkeling en -exploitatie) zijn geen indicatoren geconstateerd.

Kasstroomgenererende eenheid (KGE)

Het HRN is als één kasstroomgenererende eenheid aangemerkt (exclusief de lijnen in 'open access'). De realiseerbare waarde is bepaald op basis van bedrijfswaarde.

Belangrijke uitgangspunten

Ultimo 2025 is de waardeverminderingstoets uitgevoerd op basis van de volgende uitgangspunten:

  • De discontovoet ultimo 2025 na belastingen bedraagt 7,0% (31 december 2024: 6,9%). De discontovoet voor belastingen bedraagt 9,1% (31 december 2024: 8,7%).

  • Eind 2023 is de concessie voor de periode 2025-2033 aan NS gegund door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het financiële rendement over deze periode zal naar verwachting lager zijn dan de 'cost of capital' volgens marktnormen. Belangrijke elementen in de concessie met mogelijke financiële impact zijn:

    • NS ontvangt voor de uitvoering van de HRN-concessie een jaarlijkse subsidie van € 5,5 miljoen. Dit bedrag wordt aangevuld met een bedrag van € 7,5 miljoen per jaar voor de kosten die NS maakt voor het beheer van het landelijke reisinformatiesysteem;

    • in de concessie zijn afspraken gemaakt over de verdeling van risico’s op het moment dat het aantal reizigerskilometers afwijkt van onder- en bovengrenzen. Hiermee wordt het risico (zowel naar boven als naar beneden) voor NS beperkt. In de verwachte kasstromen die ten grondslag liggen aan de waardeverminderingstoets is verondersteld dat de ondergrens wordt geraakt en hiervoor een bedrag in de komende jaren rekening houdend met een maximum is ingerekend;

    • NS krijgt ruimte om de financiële impact van sterk stijgende energiekosten (die de CPI-ontwikkeling overstijgen) in de tarieven te verwerken;

    • Bij de bepaling van het rendement over de contractperiode van de HRN-concessie is rekening gehouden met maximaal het operationeel verwacht rendement zoals door de raad van bestuur en raad van commissarissen van de Groep zijn goedgekeurd. In de geëxtrapoleerde jaren (2031 tot en met 2033) heeft een afslag plaatsgevonden op de verwachte kasstromen als gevolg van dit rendement.

    • de reële waarde van de betreffende activa is niet betrouwbaar vast te stellen gezien de sterke verbondenheid van de activa met het HRN contract, de treinen specifiek zijn geproduceerd voor het Nederlandse spoor en geen actieve markt bestaat voor deze specifieke treinen;

    • de inkomsten uit reizigersvervoer zijn mede afhankelijk van de keuzes ten aanzien van de
      dienstregeling, die worden afgestemd met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat;

    • voortzetting van het huidige OV-studentenkaart contract;

    • de productiemiddelen kunnen aan het eind van de concessieperiode tegen boekwaarde worden overgedragen aan de opvolgende concessienemer op het moment dat dit niet NS is. Op het moment dat aan het einde van de concessieperiode geheel of gedeeltelijk de concessie anders wordt gestructureerd (bijvoorbeeld door middel van Open Toegang) maken NS en I&W (proces)afspraken over hoe wordt omgegaan met de overgang van de bijbehorende productiemiddelen of op welke wijze op andere wijze ondersteuning zal plaatsvinden.

  • De aanpassing van de afschrijvingstermijn (zie Algemene grondslagen) heeft ertoe geleid dat de boekwaarde aan het einde van de concessie substantieel hoger is. Deze aanpassing maakt een substantieel deel uit van de terugneming van de bijzondere waardevermindering in 2025.

Resultaten

De herbeoordeling van de bijzondere waardevermindering heeft ultimo 2025 geleid tot een terugneming van de bijzondere waardevermindering voor een bedrag van € 468 miljoen. (2024: een bijzondere waardevermindering van € 90 miljoen). 

Over 2025 is als gevolg van de bijzondere waardevermindering een bedrag van € 114 miljoen minder (2024: € 113 miljoen minder) afgeschreven in vergelijking met de situatie voor deze bijzondere waardevermindering.

Het verloop van de bijzondere waardervermindering over het boekjaar is als volgt:

(in miljoenen euro's)

2025

2024

Stand 1 januari

1.174

1.197

Impact resultaat boekjaar

Lagere afschrijvingslast boekjaar

-114

-113

(Terugneming van) bijzondere waardeverminderingen

-468

90

-582

-23

Stand 31 december

592

1.174

De bijzondere waardevermindering is verdeeld over de volgende categorieën:

(in miljoenen euro's)

2025

2024

Materiële vaste activa

-451

86

Immateriële vaste activa

-7

3

Gebruiksrechten vaste activa

-10

1

Totaal

-468

90

Na het verwerken van een bijzondere waardevermindering wordt de resterende boekwaarde afgeschreven over de verwachte gebruiksduur van het betreffende actief.

Sensitiviteit

De sensitiviteit van de vermogenskostenvoet is als volgt:

Een aanpassing van de vermogenskostenvoet met 0,5 procentpunt (positief of negatief) heeft een effect van circa € 110 miljoen ten opzichte van de verantwoorde bijzondere waardevermindering.

De Groep merkt hierbij op dat de onderliggende analyses aanzienlijke schattingsonzekerheden bevatten. De realisatie kan afwijken, waardoor de bijzondere waardevermindering in de toekomst wellicht aangepast moet worden met een positief of negatief resultaatseffect.

De verantwoorde bijzondere waardeverminderingen zijn naar rato in mindering gebracht op de boekwaardes van de activa van het HRN. De herziene boekwaardes worden over de resterende levensduur van de activa afgeschreven.

Er hebben zich geen bijzondere waardeverminderingen voorgedaan bij de overige activiteiten (stationsontwikkeling en -exploitatie).

Waarderingsgrondslag

De boekwaarde van de vaste activa van de Groep wordt iedere verslagdatum opnieuw bezien om te bepalen of er aanwijzingen zijn voor bijzondere waardeverminderingen. Als dergelijke aanwijzingen bestaan, wordt een schatting gemaakt van de realiseerbare waarde van het actief. Van goodwill en immateriële vaste activa die nog niet gebruiksklaar zijn wordt op iedere verslagdatum een schatting gemaakt van de realiseerbare waarde.

Voor een actief of een kasstroom genererende eenheid is de realiseerbare waarde gelijk aan de hoogste van de bedrijfswaarde of de reële waarde minus verkoopkosten. Bij het bepalen van de bedrijfswaarde wordt de contante waarde van de geschatte toekomstige kasstromen voor belasting berekend met behulp van een disconteringsvoet voor belasting die een afspiegeling is van zowel de actuele markttaxaties van de tijdswaarde van geld als van de specifieke risico's met betrekking tot het actief.De disconteringsvoet is vastgesteld na belastingen op basis van de rentevoet van overheidsobligaties die zijn uitgegeven door de meest kredietwaardige overheid in de relevante markt, in dezelfde valuta als de kasstromen, gecorrigeerd voor een risicopremie om zowel het verhoogde risico van een belegging in aandelen in het algemeen als het risico van de specifieke KGE weer te geven.

Voor de toetsing op bijzondere waardeverminderingen worden activa samengevoegd in de te onderscheiden groep activa die uit voortgaand gebruik kasstromen genereert die in grote lijnen onafhankelijk zijn van andere activa en groepen (de ‘kasstroom genererende eenheid’). De in een bedrijfscombinatie verworven goodwill wordt voor de toetsing op bijzondere waardeverminderingen toegerekend aan kasstroom genererende eenheden die naar verwachting zullen profiteren van de synergievoordelen van de combinatie.

Een bijzonder waardeverminderingsverlies wordt opgenomen als de boekwaarde van een actief, of de kasstroom genererende eenheid waartoe het actief behoort, hoger is dan de geschatte realiseerbare waarde. Bijzondere waardeverminderingsverliezen worden in de winst- en verliesrekening opgenomen. Bijzondere waardeverminderingsverliezen opgenomen met betrekking tot kasstroom genererende eenheden worden eerst in mindering gebracht op de boekwaarde van eventueel aan de eenheden toegerekende goodwill, en vervolgens naar rato in mindering gebracht op de boekwaarde van de overige activa van de eenheid (of groep van eenheden).

Vervolgens wordt beoordeeld of, naast de mogelijk te verantwoorden bijzondere waardevermindering, de vorming van een voorziening voor verlieslatende contracten noodzakelijk was.

Met betrekking tot goodwill worden geen bijzondere waardeverminderingsverliezen teruggenomen. Voor andere activa worden in voorgaande perioden opgenomen bijzondere waardeverminderingsverliezen bij elke verslagdatum beoordeeld op indicaties dat het verlies is afgenomen of niet langer bestaat. Een bijzonder waardeverminderingsverlies wordt teruggenomen als de schattingen zijn veranderd aan de hand waarvan de realiseerbare waarde was bepaald. Een bijzonder waardeverminderingsverlies wordt uitsluitend teruggenomen voor zover de boekwaarde van het actief niet hoger is dan de boekwaarde, na aftrek van afschrijvingen, die zou zijn bepaald als geen bijzonder waardeverminderingsverlies was opgenomen.







Print pagina